Verdwenen molens in de gemeente Geertruidenberg

Uit Stamboomboek Raamsdonk
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Aan de rechterzijde van de Venestraat, nabij de Meypoort op het Galgenbolwerk, stond een stenen stellingmolen die door zijn grootte boven de Bergse wallen uittorende. In 1918 werd deze molen, die ruim twee eeuwen lang mede het silhouet van de vestingstad bepaalde, afgebroken. In die omgeving dreigt seriematige woningbouw in een historische omgeving. In plaats van een molen vormt straks wellicht een appartementencomplex van vijftien meter hoogte mede de skyline van Geertruidenberg. In de regio liggen drie onbeschadigde vestingstadjes met ongeschonden centra, waar molens nog steeds staan te pronken op de stadswallen. In Willemstad is dat de in 1734 gebouwde d’Orangemolen, die herbouwd is in 1951. In Woudrichem staat de enige achtkante stenen stellingkorenmolen van ons land. Deze werd waarschijnlijk in 1662 gebouwd, maar op 21 april 1945 opgeblazen door de Duitsers. Bij een vestingstad hoort een molen en dus werd de vernielde molen met de naam Nooit Gedagt in 1995 herbouwd. Dat vond het gemeentebestuur van Heusden ook. Op de oorspronkelijke plaats van vroegere korenmolens werden tussen 1972-1975 drie nieuwe standaardmolens gebouwd. De landschappelijke waarde is in alle gevallen zeer groot en bepalen voor een belangrijk deel op een unieke wijze het gezicht van de vestingstadjes. En Geertruidenberg, die heeft alleen nog de Molenstraat, evenals Raamsdonk trouwens. De enige molen in de gemeente is de in 1890 gebouwde stellingmolen De Onvermoeide in Raamsdonksveer.

De oudst bekende vermelding omtrent molens in GEERTRUIDENBERG dateert uit de 14e eeuw. In een laat 14e eeuws registertje van het kapittel van de kapittelkerk is sprake van rente op de molens buiten de Veenpoort. Naast een windkorenmolen was er ook een slagmolen ofwel oliemolen. Ook in de stadsrekeningen uit het jaar 1436 vinden we enige aanwijzingen die duiden op het molenaarsambacht. In de stadskeuren van een jaar eerder is overigens al bepaald dat een molenaar niet meer dan twee varkens per jaar mag houden, want varkens worden hoofdzakelijk met meel gevoerd en dat vooral bedoeld voor de verkoop. In 1593 werd op particulier initiatief een molen op het Nassaubolwerck, later Galgenbolwerk genaamd, gebouwd die even voor 1714 is afgebroken. Dat jaar werd een roskorenmolen aan het einde van de Venestraat bij de Meypoort gebouwd. De molen heeft ook nog als schors- en runmolen dienstgedaan. In 1918 wordt de molen afgebroken, waarna onder toezicht van notaris Scholtens op 16 juli van dat jaar de verkoop plaatsvindt van ‘Molenafbraak’. Verkocht worden onder andere: ‘Schooren, IJzeren Kruiwerk, Maalsteenen, Boven- en Kroonwiel en greenen en dennen Balken’. Met het overlijden van Andries Cornelis van Riel in 1950 verliest Geertruidenberg ook haar laatste molenaarszoon en sterft een eeuwenoud ambacht van het stadje voorgoed uit.’

In RAAMSDONK is er in de 14e eeuw voor het eerst een vermelding van een molen in ‘Tambacht van Raemsdonck’. Verderop in de tijd worden de gegevens wat uitgebreider. In 1548 zou ene Adriaan Simonszn in het dorp een rosmolen pachten. Op 23 mei 1570 werd voor de erfpachtsom van zes pond een windbrief (het recht om een molen te mogen bouwen en exploiteren) voor een wind- en rosmolen verstrekt aan Wouter Wouters uit Waspik. In 1624 liet prins Frederik Hendrik rond de molen verdedigingswerken aanleggen en werd de molen als uitkijkpost gebruikt. Dat jaar begon het Spaanse Beleg van Breda en had belegeraar Spinoza in de regio, met name in Rijen, een legerkamp met 18.000 soldaten. Op 24 januari 1680 werd voor de erfpachtsom van 15 pond een windbrief verstrekt aan Nourits Coninckx voor een grutmolen. Op 14 november 1707 werd voor een grutmolen aan de westkant van het dorp voor 18 pond een windbrief verstrekt aan Gerrit van Seters, een in Geertruidenberg wonende korenmolenaar. In maart 1770 nam Bastiaan Marceliszn Holster, in Elshout reeds eigenaar van een rosmolen, de molen over voor 8600 gulden. Zijn zoon Bastiaan erfde de windmolen, trouwde met Maria Knaap en werd op 6 oktober 1796 schout van Raamsdonk; daarnaast bekleedde hij enkele bestuurstaken onder de Bataafse Republiek. Zijn dochter Cornelia volgde hem op als molenaar en erfde later het molenhuis, de korenmolen, de rosmolenwerf en een akker, alles ter waarde van 13.000 gulden. De standaardmolen raakte in verval en werd in 1904 vervangen door een stellingmolen, eigendom van B. de Vries uit Raamsdonk. Al na vijf jaar werd de molen omgebouwd naar een molen met buitenkruiwerk. In de nacht van 12 op 13 november 1939 brandde de molen uit, waarbij de mogelijke oorzaak lag bij de hulpmotor, een 22 pk benzinemotor. De verzekering dekte de schade en de molen werd weer hersteld. In 1944 werd de molen, toen eigendom van de familie De Bruijn, opgeblazen door Duitse soldaten. Wat slechts herinnert aan de molengeschiedenis van Raamsdonk is de naam Molenstraat.

In RAAMSDONKSVEER kwamen bij de gemeente pas in 1890 voor het eerst aanvragen binnen voor de bouw van een koren- en schorsmolen. Wel was er in het dorp al een rosmolen. De eerste aanvraag kwam van de familie Rombouts, een bekend Brabants molenaarsgeslacht, die een molen wilde laten bouwen die na de bouw de naam Zeldenrust kreeg. De tweede aanvraag kwam van de Waspikse molenaar Willem Martens. Voor beide molens werd op 1 april 1890 een bouwvergunning verleend. Martens noemde zijn molen, een beetje pesterig, De Onvermoeide, tegenwoordig de enige molen in de gemeente Geertruidenberg. Beide molens beschikten over een runzolder met maalstoel, waarmee eikenschors werd vermalen tot run dat in de leerlooierijen in De Langstraat gebruikt werd voor de bereiding van leer. Tijdens de Tweede Wereldoorlog, toen het malen van graan op een laag pitje stond, begonnen Antoon Rombouts en echtgenote Goverdina van de Made een kruidenierswinkel bij de molen aan de Julianalaan. Het werd zo’n succes dat het echtpaar later aan de Grote Kerkstraat, waar nu fietsspecialist Van Oord is gevestigd, een grote supermarkt liet bouwen. Begin jaren 50 werd Jos de Bruijn eigenaar van de molen. Om minder afhankelijk te zijn van de wind, liet deze een dieselmotor in de molen plaatsen. In de strenge winter van 1956 wilde de molenaarsknecht de dieselmotor ontdooien met een gasbrander. Met catastrofale gevolgen; het binnenwerk van de kapitale stellingmolen en het wiekenstelsel brandden in hun geheel af. Wat resteerde was de romp van de molen, waarin nog enkele jaren werd gemalen met een elektromotor. Daarna heeft Garagebedrijf Van Zwol het in gebruik genomen als olieververs- en smeerstation. In 1991 werd de ruim 20 meter hoge molenromp gesloopt. In Raamsdonksveer zorgt niet de naam Molenstraat, zoals in Geertruidenberg en Raamsdonk, voor een herinnering aan het molenverleden, maar wel de Zeldenrustlaan. In een dorp waar De Onvermoeide zijn naam nog steeds waarmaakt.

Tekst: Terry van Erp / Jan Hoek

Bronnen:

De Brabantse Molens, uitgave Provinciaal Bestuur van Noord-Brabant, 1974;

De familie Rombouts en haar molens, William de Bruijn, 4e druk, februari 2008;

molendatabase.org