Oprichting van de Deutsche Arbeiter Partei (DAP)

Uit Stamboomboek Raamsdonk
Versie door Colani (overleg | bijdragen) op 1 mei 2022 om 12:32
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij (NSDAP)[bewerken]

Hitler und Schwarz bei der Einweihung des Umbaus des Palais Barlow in der Brienner Straße zum

Op 5 januari 1919 werd de Duitse Arbeiderspartij (DAP) opgericht door Anton Drexler. Dit was de voorloper van de NSDAP. In het begin was deze partij alleen maar een van de vele extreemrechtse en racistische partijtjes die na de Eerste Wereldoorlog als paddenstoelen opschoten in de Weimarrepubliek. De DAP had zijn machtsbasis in Munchen. Het belangrijkste uitgangspunt van deze partij was dat Duitsland een nieuw leger moest bouwen, wat echter verboden was volgens het Verdrag van Versailles.

In september 1919 werd Hitler lid van deze partij waar hij steeds meer tijd in stak. Op 24 februari 1920 probeerde de partij haar eerste massabijeenkomst te organiseren. Het werd een schamel succes met een geringe opkomst van 2000 mensen. Hitler wist met retorisch vernuft in te spelen op het alom in Duitsland aanwezig maatschappelijk onbehagen en de partij won aan aanhang. Rond 1921 was Hitler het brein van de activiteiten van zijn partij en werd hij gezien als de leider. Reeds vanaf de begintijd richtte de NSDAP zich vooral op de volgende punten: Verheerlijking van het autoritaire ‘leidersprincipe’ (zoals ook in het fascisme tentoongespreid oftewel een dictatuur), afkeer van de democratie en dus ook vernietiging van de Weimardemocratie

Militarisme Revanchisme (revanche op de oude vijanden) Antisemitisme

 

Herziening van het Verdrag van Versailles en met name de teruggave van de gebieden die Duitsland volgens dit verdrag had moeten afstaan.  Afkeer van het bolsjewisme, maar toch een sterk socialistisch geïnspireerd economisch programma en een overnemen van “socialistische” symboliek; tegelíjkertijd werden communisten/socialisten aangemerkt als doodsvijanden.

Ondertussen had Hitler rond zich een groep vertrouwelingen verzameld die bestond uit: Joseph Goebbels, leider van de propaganda Hermann Goring, een goed organisator die bovendien vele nuttige contacten had in het leger en de Duitse aristocratische en economische elite. Alfred Rosenberg, de theoreticus Julius Streicher, bekend vanwege zijn antisemitisme en medeoprichter van de anti-joodse Deutsch-Sozialistische Partei De ordehandhaving werd geregeld door de SA, van oorsprong een soort veredelde knokploeg, en als eigen mediablad had de partij de Völkischer Beobachter. Via een slimme en doordachte manier van propaganda van de partij-ideologie en -standpunten kreeg Hitler geleidelijk steeds meer invloed en aanhang onder de Beierse bevolking. Het ledental van de partij groeide van 20.000 in 1922 uit tot meer dan 50.000 in het crisisjaar 1923. Het bestond in die tijd vooral uit mensen van de arbeidersklasse.

De partij was echter ook een onderkomen voor oud-legerofficieren en andere conservatieven. Samen met Ernst Rohm, de man achter de SA, kwam Hitler op het idee om een eigen reserveleger te bouwen waarbij de contacten en expertise van de vroegere legerofficieren goed van pas zouden komen. De SA was gebaseerd op de gedachte van de eerdere vrijkorpsen. De achterliggende gedachte was de kwakkelende economie die wellicht zou leiden tot een algemene ineenstorting van het land en collaboratie van het eigenlijke leger met de ‘vijanden van het Duitse volk’. Hitler wilde daar een eigen leger tegenover stellen. Vanaf toen werd de SA uitgebouwd tot dit volksleger en tegen 1933 telde dit ‘reserveleger’ zelfs 2.000.000 leden , meer dan het reguliere Duitse leger. Ook werd er voor de partijtop een lijfwacht opgericht. Dit was de Schutzstaffel beter bekend onder de afkorting SS. Door het drukken van enorme hoeveelheden geld trachtte de Duitse overheid de inflatie, die begin jaren ’20 het Duitse leven beheerste, in de kiem te smoren. Dit liep echter uit op een fiasco en de NSDAP rook haar kans. Door middel van een putsch, bekend als de Bierkellerputsch, probeerde ze op 9 november 1923 de macht in Beieren over te nemen.

Het ondoordachte plan was om zo een kettingreactie van revoluties in andere deelstaten te veroorzaken waarna tenslotte Berlijn voor het grijpen zou liggen. Na een hevige strijd werden Hitler en consorten echter gearresteerd en op 26 maart berecht. Dit liep uit op een zege voor hen want heimelijk had Hitler veel steun onder zijn berechters. Ze werden ‘bestraft’ met een vijf jaar durende straf in een luxegevangenis. De straf werd echter na één jaar beëindigd en Hitler was weer een vrij man. Hij schreef tijdens zijn gevangenschap Mein Kampf, de ‘bijbel’ van het nationaalsocialisme. De NSDAP en haar Noord-Duitse bondgenoten hadden vlak na de Bierhalleputsch een opleving beleefd in de verkiezingen, maar zakten nadien weer langzaam weg tot ze in 1928 slechts ca. 2 % van de stemmen verwierven. Hitler richtte zich echter op consolidatie en herorganisatie, en vormde de beweging om van een lokale Zuid-Duitse partij tot een landelijke partij. Het ledental nam toe tot ruim 100,000 in 1929. In deze tijd tekenden zich tevens de eerste conflicten tussen de partij en de SA af, die echter altijd binnenskamers werden gehouden.

Röhm moest uiteindelijk het hoofd buigen en vertrok tijdelijk naar Bolivia. Tot 1929 was de NSDAP een kleine partij die nog niet veel invloed had in de Duitse politiek. Dit veranderde echter hierna door de aanhoudende economische recessie die Duitsland trof. Grote delen van de bevolking zochten een houvast in deze rumoerige tijden; Hitler haakte hierop in en beloofde ‘orde op zaken te stellen’. Via steeds groeiende massabijeenkomsten in o.a. Neurenberg sprak Hitler de bevolking toe en het ledental groeide immens. De NSDAP kon zich profileren als de enige partij die niets te verwijten viel, omdat ze immers nooit aan een regering deelgenomen had. Vanaf oktober 1929 was dan ook een duidelijke opmars van de NSDAP in de deelstaatparlementen te bespeuren, voor het eerst ook buiten Zuid-Duitsland en Beieren. In Baden werd 7% van de stemmen gehaald, in Lübeck 8 %.

In Thuringen namen de nazi’s voor het eerst deel aan een deelstaatregering, hiertoe uitgenodigd door de andere partijen die een cordon sanitaire tegen de communisten in stand hielden. Dit werd een fiasco, maar de opmars zette zich voort. Toen in 1930 nieuwe verkiezingen werden uitgeschreven voor de Rijksdag, voorspelden de nazi’s een reuzenzege. In september 1930 haalde de partij bij de verkiezingen voor de Rijksdag 6,4 miljoen stemmen en werd ze de tweede partij van Duitsland, met 107 van de 577 zetels. Ondertussen kwakkelde de economie nog altijd. Tijdens de verkiezingen van 1932 verloor Hitler het van regerend president Paul von Hindenburg, maar door de parlementsverkiezingen van dat jaar werd de NSDAP wel de grootste partij van Duitsland met 230 zetels. Er hadden 14 miljoen mensen op ze gestemd, maar Von Hindenburg weigerde Hitler te benoemen als rijkskanselier; hij wantrouwde hem en had een lage dunk van ‘deze kleine korporaal en mislukte kunstenaar’ zoals Hindenburg Hitler betitelde. Ook zat de partij met een ander probleem: door de voortdurende verkiezingscampagnes was de partij bijna failliet. Verder had de partij haar maximale draagvlak bereikt. De aanhang was nu zo divers geworden dat het moeilijk was een koers te kiezen zonder een deel van die aanhang van de NSDAP te vervreemden. De achterban nam het Hitler bovendien kwalijk dat hij geen regeringspost wilde accepteren, en dus “helemaal niets deed”. De bevolking begon “Hitler-moe” te worden. Bij de verkiezingen van november 1932 verloor de NSDAP dan ook 4%, en leverde 34 zetels in.

Toch wilden veel zakenlieden en conservatieve politici nog met Hitler praten en zetten Hindenburg onder druk om Hitler toch een regering te laten vormen. Het alternatief, een linkse regering bestaande uit communisten en socialisten zou in hun ogen hun belangen te zeer schaden. Ze zagen Hitler als een verbreding van hun smalle machtsbasis, en hoopten dat ze hem konden “temmen”. De NSDAP deed er ondertussen alles aan om de tegenslag van de verkiezingsnederlaag te overwinnen: in de verkiezingen voor het ministaatje Lippe werd alles uit de kast gehaald. De bescheiden overwinning die behaald werd buitte men uit om de positie in de formatiebesprekingen te versterken: het tij was weer gekeerd en de nazi’s waren weer in opmars. Op 30 januari 1933 werd Hitler dan eindelijk toch door von Hindenburg aangesteld als rijkskanselier van een extreemrechtse coalitie tussen onder andere de NSDAP en de Deutschnationale Volkspartei. Als eerste officiële regeringsmaatregel (31 januari 1933) ontbond Hitler de Rijksdag en schreef nieuwe verkiezingen uit. Door intimidatie en het verbieden van bepaalde politieke partijen behaalde hij een klinkende overwinning. De NSDAP won met 43,9%, ongeveer zeventien miljoen stemmen.

Ondertussen zakte de hoogbejaarde Hindenburg, als enige die tevoren nog enige autoriteit tegenover Hitler kon stellen, geestelijk steeds verder weg in dementie. Hitler had al snel de handen vrij en begon zijn macht over het regeringsapparaat uit te breiden. Na de machtsovername begon de Gleichschaltung. Dit hield in dat de Duitse staat en bevolking in het NSDAP-keurslijf werden gedwongen. Al snel werd de NSDAP-ideologie zichtbaar in het openbare leven. Die bestond vooral uit antisemitisme en vrijheidsbeperking van de bevolking. Op 14 juli 1933 werd het parlementaire apparaat “Gleichgeschaltet” met de nazi-ideologie en feitelijk buiten werking gesteld. Het opheffen van alle andere politieke organisaties gebeurde door een verbod hiervan aangevuld door geweld, intimidatie en arrestatie van de partijtop. De dictatuur van de NSDAP was een feit en er kon nog maar op één partij gestemd worden. In de daaropvolgende verkiezingen, Hitler ‘vroeg’ aan de bevolking een ongelimiteerd mandaat, kon voor of tegen worden gestemd. Er werd wel duidelijk gemaakt dat tegenstemmen gelijk stond aan verraad en dan was wel duidelijk wat er ging gebeuren. Vanaf die tijd heerste de nationaal-socialistische dictatuur. Er werden allerlei razzia’s gehouden tegen tegenstanders van de nazi’s en het treiteren en boycotten van de Joden werd de normale gang van zaken.

Op 30 juni 1934 stierf president Von Hindenburg, Hitler versmolt de functie van rijkspresident met die van zijn eigen functie als rijkskanselier en toen begon de nazidictatuur pas echt. De NSDAP werd nu omgevormd tot een apparaat dat de bevolking in het gareel moest houden en breidde zijn controle uit over alle organisaties in het land, van vakbonden, hobbyclubs en jeugdverenigingen tot het leger. Openlijk protest tegen deze gang van zaken was al snel levensgevaarlijk, vooral nadat de rechterlijke macht met handen en voeten aan de nazi-partij was gebonden. Nadat de meeste tegenstanders waren gearresteerd en op twijfelachtige gronden door nazi-getrouwe rechters waren veroordeeld tot lange gevangenisstraf (of eenvoudigweg vermoord werden of op ‘mysterieuze wijze’ verdwenen waren) was binnenlandse oppositie vrijwel afwezig. Dit proces duurde drie a vier jaar, waarna zo goed als iedere instantie of club direct of indirect afhankelijk was van de goedkeuring van en aangestuurd werd door de partij. Machtsstrijd tussen Hitler en Röhm In de loop der jaren heeft Hitler zijn tegenstanders in de partij zelf en daarbuiten systematisch uitgeroeid en een groep onvoorwaardelijke vertrouwelingen om zich heen gebouwd. In de zomer van 1934 werd besloten om Ernst Röhm te executeren, omdat hij, vanwege zijn macht binnen de SA en zijn linkse standpunten waarmee hij geregeld met Hitler in conflict kwam, werd gezien als een bedreiging.

In het buitenland werd dit bekend als de Nacht van de Lange Messen. De SA werd gekortwiekt en het ledenbestand werd gezuiverd. Hogere leiders werden geëxecuteerd of ontslagen, lagere leiders werden naar gelang hun “politieke zuiverheid” ontslagen of gepromoveerd. Vanaf toen nam de SS van trouwe Hitler adept Heinrich Himmler de plaats in van de SA en diens macht groeide explosief. Op 22 september 1934 werd besloten tot de totale verwijdering van de Joden uit de samenleving. Dit werd vastgelegd in de Rassenwetten van Neurenberg, waarin precies werd omschreven wat Joods was. Alle Joden werden hun burgerrechten ontnomen. De voortdurende pesterijen verliepen cyclisch: geweld van beneden (met name de SA) werd door de partij aangemoedigd. Daarna volgde escalatie van het geweld, waarna de regering “tussenbeiden kwam”. Het eind van het liedje was een verdere verscherping van antisemitistische maatregelen “om de radicalen tevreden te stellen”. Dit proces herhaalde zich telkens weer en culmineerde in de Kristallnacht en ten slotte in de massale jodenvervolgingen. Na 1937 ontsloeg Hitler acht van de twaalf ministers en verenigde hun voormalige functies en bevoegdheden met zijn eigen functie als Führer. ((Göring)), Goebbels, Frick en Darre bleven over. In 1938 werd de politiek door de “Blomberg-Fritsch affaire” opgeschrikt. De minister van defensie, Blomberg, zou getrouwd zijn met een ex-prostituee. Diens beoogde opvolger, Fritsch, zou homoseksueel zijn en zich met een schandknaap hebben ingelaten. Blomberg viel en sleepte Fritsch onbedoeld mee in zijn val, waardoor een aantal kritische kopstukken in het leger op een zijspoor konden worden gezet ten gunste van personen als Keitel die de nazi’s beter ter wille waren.

Vanaf dit moment zou ook het leger, het laatste niet-genazificeerde instituut in Duitsland, onder NSDAP-controle vallen. De deelstaatregeringen werden genazificeerd, machteloos gemaakt en ten slotte opgeheven. Daarentegen werd de NSDAP-indeling in Gaue belangrijker. De Gaue waren vernoemd naar de oude provincies in het Frankische rijk, gouwen. Aan het hoofd van iedere Gau stond een Gauleiter, die aan het hoofd van het lokale partijapparaat stond. Met name de Gauleiters in de na 1939 toegevoegde oostelijke gebieden (o.a. Wartheland en Danzig) konden een grote macht opbouwen. De alleenheerschappij en willekeur van Hitler vierde hoogtij. Goede voorbeelden hiervan waren de Kristallnacht, de Reichskulturkammer waarin alleen kunst werd toegestaan die naar de smaak van Hitler was en deboekenverbranding van “geschriften van Duitse volksvijanden”. Deze alleenheerschappij duurde tot de capitulatie van Duitsland in 1945 waarbij ook de partij zijn heerschappij verloor.

Foto: Hitler und Schwarz bei der Einweihung des Umbaus des Palais Barlow in der Brienner Straße zum “Braunen Haus”, 1930 By Bundesarchiv, Bild 119-0289 / Unknown / CC-BY-SA 3.0, CC BY-SA 3.0 de, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=5337841