Kartuizers bij Geertruidenberg en bij 's-Hertogenbosch
De Moderne Devotie als schakel tussen de kartuizers bij Geertruidenberg en bij 's-Hertogenbosch[bewerken]
1. Inleiding
In 1336 was Willem van Duvenvoorde, machtig financier, vertrouweling van de graaf van Holland en invloedrijk persoon in de Brabantse hofkringen, overgegaan tot de stichting van een kartuizer klooster bij Geertruidenberg. De sterk contemplatieve orde van St. Bruno van Keulen kende de eraan voorafgaande decennia een explosieve groei in de Zuidelijke Nederlanden en zijn eerste vestiging in het graafschap Holland — vandaar de naam Hollandse Huis — betekende een nieuwe stap in noordelijke richting. Willem van Duvenvoorde had in Holland en Brabant vele gebieden zowel in leen als in eigendom. Ten tijde van de stichting van het klooster was hij heer van Breda, heer van Oosterhout en burggraaf van Geertruidenberg. Zijn uitgestrekte domein, dat later via de Polanens aan het huis Nassau vererfde, ligt aan de basis van het Kroondomein in westelijk Noord-Brabant (1).
De kartuizers poogden via een omvangrijk gebied en renten, cijnzen en pachten hun financiële behoeften te bevredigen. Als beschouwende orde was hun streven erop gericht met zo min mogelijk eigen inspanning hun bezittingen te exploiteren. Eigen bebouwing, ontginning en dergelijke werden zoveel mogelijk vermeden, de niet te vermijden lichamelijke arbeid werd uitgevoerd door de conversen, zodat de monniken in stictu sensu van iedere afleiding van hun geestelijke werken gevrijwaard bleven. Afgezien van uitzonderingen voor prior en procurator bleven de monachi binnen de kloostermuren of binnen de afgebakende termini monachorum, waarin ze zich overgaven aan hun wekelijkse gezamenlijke wandeling (spaciamentum).
Naast deze beperking van de bewegingsvrijheid van de monniken, waarborg voor hun leven als in een woestijn, had de orde via regulering van de bezitswerving geprobeerd de inclausura zo volledig mogelijk te doen zijn. De kloosters mochten slechts in een beperkte straal rondom hun behuizing bezittingen verwerven. Toch was deze maatregel niet overal in de praktijk uitvoerbaar, het bleek niet altijd mogelijk goederen binnen de aangewezen grenzen in bezit te krijgen. Giften van weldoeners betroffen meestal verder weg gelegen goederen en rechten. Daarbij moet nog rekening gehouden worden met de specifieke behuizing van de kartuizers, die een groot domein noodzakelijk maakte. In feite bestond het convent uit kluizenaars, die weliswaar enkele zaken gemeenschappelijk geregeld hadden maar binnen het klooster toch solitair leefden. Iedere monnik beschikte over een afzonderlijke wooneenheid, waar hij de meeste getijden alleen bad en alle maaltijden, behalve op zon- en feestdagen, in eenzaamheid nuttigde. De eisen die aan een dergelijke behuizing gesteld werden, waren hoog, zodat het arbeidsloze inkomen van het klooster dienovereenkomstig moest zijn. Hoewel de stichter van het Hollandse Huis niet bepaald onbemiddeld was en de stichting een gebaar van vorstelijke allure genoemd kan worden, verwierf de kartuize zich bezittingen buiten de grenzen.
Zo blijkt in de vijftiende eeuw een relatie tussen het Hollandse Huis en 's-Hertogenbosch te bestaan, des te opvallender gezien de afstand tussen beide plaatsen en het op het eerste gezicht ontbreken van iedere grond ervoor. Gedurende ruim een halve eeuw bleek het klooster een ruime bekendheid in de hertogstad te genieten. Deze constatering was prikkelend genoeg om op zoek te gaan naar vorm, oorzaak en gevolg van deze populariteit in den vreemde.
De contacten van de kartuizers met de Meierij van 's-Hertogenbosch liepen via vier kanalen. In de eerste plaats woonden er lieden die na hun dood een deel van hun nalatenschap voor deze kloosterlingen hadden bestemd. Daarna moest beheer plaatsvinden, hetgeen geschiedde middels machtiging aan ingezetenen van de stad. Bovendien hadden de erflaters vaak naast de kartuizers ook nog andere kloosters begiftigd. Ten slotte moeten we kanunnik Martinus van Zomeren voor het voetlicht halen, omdat hij als een spin in dit web verscholen blijkt.
2. De begunstigers
Een analyse van de schenkingen die de kartuizers vanuit de Meierij ten deel vielen (2), leert ons dat van de 21 schenkingen er slechts zeven exact te dateren zijn (zie bijlage) (3). Deze giften zijn alle tot stand gekomen tussen 1433 en 1458, waarbij aangetekend moet worden dat vijf schenkingen tussen 1433 en 1441 plaatsvonden en de overige twee in 1457 en 1458. De vroegste schenking dateert al van voor 1413, terwijl de laatst mogelijke schenking voor 1477 plaatsgevonden moet hebben. In de ante-quem-dateringen ligt de nadruk op de jaren veertig. Het goederenregister van het klooster uit 1421 schijnt geen vermelding van Meierijse goederen gemaakt te hebben (4), in het rond het midden van de vijftiende eeuw gereed gekomen cartularium was echter al een aparte plaats ervoor vrijgehouden. Een en ander leidt tot de conclusie dat de schenkingsdrift in de Meierij ten behoeve van het Hollandse Huis in het begin van de vijftiende eeuw aanving, een hoogtepunt bereikte in de jaren dertig en veertig en daarna in ieder geval tot in de jaren vijftig uitliep. Na 1477 ontdekten we geen schenkingen meer vanuit de Meierij.
De identiteit van de schenkers is zoals zo vaak in deze periode moeilijk te achterhalen, hoewel juist de financieel meest draagkrachtigen de breedste sporen plegen na te laten. Van de achttien met name bekende weldoeners, kennen we van de helft geen nadere bijzonderheden. Onder de overigen bevinden zich twee geestelijken, Lubbert van Sprakelaar, priester, en Jan Osman, notaris en kanunnik van het Bossche kapittel; en twee begijnen, Hadewig Weylen van Os en Lijsbet van Boert, dochter van Hendrik Boirtman van Vechel en begijn van het Groot Begijnhof in de stad. Behalve deze vier zijn nog vier personen als inwoner van de stad aan te wijzen. Dat we daarbij juist namen uit de aanzienlijke Bossche families tegenkomen, wekt geen verbazing: Van Hoculem, Van Vladeracken, Van Erpe duiken ook hier op (5). Wat meer opvalt is dat vrouwelijke schenkers in aantal de overhand blijken te hebben op de mannelijke, des te vreemder omdat de kartuizerorde toch in hoofdzaak uit mannen bestond, ook al had ze een vrouwelijke pendant. Bovendien blijken in andere regio's en perioden de schenkers juist uit mannen te bestaan.
- 1. Afkortingen
GADB Gemeentearchief 's-Hertogenbosch
HH Archief Hollandse Huis
RA Rechterlijk Archief 's-Hertogenbosch
RANB Rijksarchief in Noord-Brabant
[1]Zie voor de figuur van Willem van Duvenvoorde: J. Cuvelier, Les origines de la fortune de la maison d'Orange-Nassau. Contribution à l'histoire du capitalisme au Moyen Age (Brussel, 1921). O. Obreen, 'Willem van Duvenvoorde' in: Nieuw Nederlands Biografisch Woordenboek (Leiden, 1911) 774-775. H. Brokken, 'Willem van Duvenvoorde' in: Nationaal Biografisch Woordenboek (Brussel, 1972) V, 313-328. Idem, Het ontstaan van de Hoekse en Kabeljauwse twisten (Zutphen, 1982) vooral vanaf 219. Van Duvenvoorde's erfenis kwam via zijn neef Jan II van Polanen en via Johanna van Polanen, die in 1403 trouwde met Engelbrecht van Nassau, bij het huis Nassau terecht. Zie daarvoor A. van Sasse van Ysselt, 'De oorsprong van het staatsdomein in de Baronie van Breda' in: Taxandria, XXVIII (1921) 289-297.
- 2. [2]Hoewel het archief van het Hollandse Huis twee cartularia bevat, doen zich toch problemen voor bij de reconstructie van het bezit in de Meierij. Het oudste cartularium (RANB, HH, inv. nr. 1) belooft in zijn inhoudsopgave een rubriek over 's-Hertogenbosch, maar de vermelde vindplaats blijkt afwezig. Deze leemte werd al door de cartularist uit 1518 opgemerkt (RANB, HH, inv. nr. 2), toen hij zijn rubriek 's-Hertogenbosch aanving. In tegenstelling tot zijn andere rubrieken, kan hij hier niet verwijzen naar het oude cartularium: 'De Buscoducis nichil habetur in dormitore vetusto et tamen tabula dormitoris expresse prenotat numerurn de Buscoducis et Hardichvelt, et sunt ibi due quaterne deficientes' (RANB, HH, inv. nr. 2, tweede deel fol. 22). Zie verder J. Sanders, Inventaris van het archief van het kartuizerklooster Het Hollandse Huis bij Geertruidenberg (1266)1336-1573(1595) (’s-Hertogenbosch, 1984) 35 en 50. Het zestiende-eeuwse cartularium vermeldt uitsluitend de aankomsttitels die dan nog van belang zijn; hooguit staan enkele oude rekeningen van de prior geciteerd, die nadere gegevens aan het licht brengen. Gelukkig kon de aanwezigheid van het archief van de Bossche schepenbank in deze leemte voorzien.
- 3. [3]Als bijlage is een lijst van schenkingen opgenomen met de vindplaatsen. Wanneer in dit artikel op afzonderlijke schenkingen wordt ingegaan, is derhalve geen bronvermelding meer gegeven.
- 4. [4]Dit register is weliswaar niet in origineel overgeleverd, maar is in essentie overgeschreven in het zestiende-eeuwse cartularium. Meteen doorverkochte goederen kregen hierin echter natuurlijk geen plaats.
- 5. [5]B. Jacobs, Justitie en Politie in 's-Hertogenbosch voor 1629 (Assen-Maastricht, 1986) 257-269.
De aard van de schenkingen is weinig opvallend: erfcijnzen en -pachten, grond, huizen, alles binnen de grenzen van de Meierij. Van de schenking van geldbedragen zijn in de ons ter beschikking staande bronnen weinig sporen aangetroffen.
Omdat we de meeste gegevens indirect hebben moeten verkrijgen, kennen we slechts in een paar gevallen de voorwaarden die aan de schenking verbonden waren. Onze indruk van die gevallen is dat de gestelde condities niet gering waren. De Bossche koopmansgeest verloochende zich niet. Van de zes testamenten op basis waarvan de kartuizers hun bezit zagen groeien, steunen er twee de kartuizers werkelijk in veram elemosinam, de overige vier bevatten restricties. Van de vraag van Aleit, dochter van Marcel van Vessem en echtgenote van Wouter van Vucht, en van Marcel van Hoculem, ook een Bossche burger, een anniversarium in ruil voor hun edelmoedigheid te houden, zullen de kartuizers niet vreemd hebben opgekeken. Meer problemen hebben ze ongetwijfeld gehad de wensen van Katherina van Borsele en van Vere te vervullen. Ze koos haar graf in het bij Heusden gelegen klooster Mariëndonk, maar bedacht de kartuizers van het Hollandse Huis met het derde deel van haar huis in de Postelstraat in Den Bosch. Die moesten daarvoor onmiddellijk na haar dood driehonderd missen de Trinitate, driehonderd missen de Sancto Spiritu en honderd missen de Assumptione Beate Marie Virginis opdragen. Bovendien werd de prior met de opdracht belast haar dienstmaagd, ook Katherina geheten, in te laten treden bij de Zusters van Orthen in 's-Hertogenbosch. Bij intreding, zo luidt de eerste versie van het testament, moesten de kartuizers 40 Rijnsgulden aan Katherina betalen. Een aanvulling op het testament leert dat de prior van Mariënkroon in Heusden dit bedrag moest opbrengen. Volgens de eerste regeling zouden de kartuizers er voor hun moeite alleen maar op achteruitgaan.
Hoewel het zestiende-eeuwse cartularium vele geclausuleerde schenkingen bevat, vermeldde de cartularist slechts een keer dat hij de lasten erg zwaar vond. Bij het testament van de Bosschenaar Peter van Erpe, zoon van Leonius, uit 1439, die een niet geringe erfcijns schonk, noteerde hij cum magno onere. Afgezien van enkele kleinere bedragen had Peter een erfcijns van 26 kronen te vergeven, gevestigd op de heerlijkheid Empel. Daarvan schonk hij de kartuizers 10 kronen voor jaargetijden voor zichzelf, zijn ouders en zijn vrienden. 's Nachts moesten de kloosterlingen het vigilie zingen en de daarop volgende dag een zielemis. Meteen na zijn dood dienden in het Hollandse Huis honderd missen van de Heilige Drievuldigheid, honderd missen van het Heilig Kruis en honderd missen van Maria Hemelvaart gevierd te worden. Ook Mariënkroon kreeg een erfcijns van 10 kronen onder dezelfde voorwaarden, alleen het soort missen week af (honderd missen van de Heilige Geest, honderd van Christus' Hemelvaart en honderd van Allerzielen). Beide kloosters moesten zijn knecht Jordaan, zoon van Willem van der Bruggen, voor zijn diensten vijftig kronen geven1. Deken en kapittel van de St. Jan moesten zich met minder tevreden stellen. Ze kregen 3 kronen cijns voor zijn anniversarium. Ze moesten na de dood van de testator zijn uitvaart houden, terwijl ze 's nachts de vigilie van negen lezingen en daags erop een zielemis op het hoogaltaar moesten vieren. Daaraan moesten nog dertig requiemmissen en 41 missen van keizer Hendrik toegevoegd worden. De laatste 3 kronen uit de erfcijns vloeiden de Lieve-Vrouwebroederschap in de stad toe in ruil voor een in de broederschap te vieren jaargetijde.
3. De beheerders
De tweede lijn met contacten tussen het Hollandse Huis en 's-Hertogenbosch liep via de beheerders van deze giften. De regel van de volgelingen van Bruno en de afstand tussen het klooster en de te beheren objecten leidde tot de keuze van indirect beheer. Gemachtigden, faktoors, rentmeesters, procurators of hoe ze in de bronnen ook genoemd mogen worden, bewaakten de belangen van de kloosterlingen in den vreemde.
Om een dergelijk beheer te voorkomen, konden de kloosterlingen het geschonkene natuurlijk van de hand doen. Voor de aldus verkregen gelden was het mogelijk dichter bij huis aantrekkelijkere aankopen te verrichten. Vrouwe Katherina van Borsele en van Vere kortte echter de opbrengst van een eventuele verkoop, zodat dit niet altijd de meest lucratieve weg bleek2.
Toch bleven de kartuizers niet in het bezit van hun huizen in de stad; blijkbaar kleefde aan de exploitatie teveel bezwaren. Wel behielden ze soms erfelijke cijnzen en pachten, maar ook die werden wel van de hand gedaan. Vooral uit de periode voor 1445 treffen we verkopingen van Bosch' bezit aan, hetgeen mogelijk samenhangt met de meer doelgerichte economische koers die het klooster omstreeks die tijd inzette en waarvoor liquide middelen geschapen moesten worden. Zoals ook elders het geval was, werden in 's-Hertogenbosch de meeste van deze erfelijke cijnzen en pachten na verloop van tijd toch losbaar, waardoor de kartuizers hun Meierijse bezit grotendeels verloren. De lossingen namen in de jaren tachtig een aanvang3.
De goederen die de kloosterlingen wel in bezit hielden, dienden natuurlijk geëxploiteerd te worden. Cijnzen en pachten gaven wat dat betreft de minste problemen. Als de betaling maar op tijd geschiedde en het onderpand niet in waarde verminderde, vormden ze een veilige bron van inkomsten. Hierop toezicht te houden was de taak van de persoon die de kartuizers machtigden.
Voor het eerst kreeg Zibert van Hoculem macht de rechten van de kartuizers op te eisen4. De datum van deze machtiging, januari 1403, doet ons vermoeden dat rond die tijd het klooster zijn eerste gift in 's- Hertogenbosch kreeg. De vroegst bekende schenkingen aan de kartuizers daar kunnen we na 1402 en voor 1413 dateren. De volgende schenking laat een tijd op zich wachten en ook nieuwe akten van machtiging blijven uit. Ze doemen pas na de schenkingen uit de jaren dertig op. In 1422 machtigde de prior opnieuw Zibert van Hoculem namens het klooster op te treden. Nu werd hij kanunnik in 's-Hertogenbosch genoemd. Het is de vraag of de Zibert uit 1403 dezelfde is als die uit 1442: kanunnik Zibert droeg dezelfde naam als zijn vader. Drie jaar later kreeg Zibert weer een machtiging, nu samen met een leek, en in 1450 werd alleen nog maar een leek benoemd5.
De tweede helft van de vijftiende eeuw geeft priester-kapelanen te zien die voor het inkomen van de kartuizers zorg droegen. Jan van Doysborchs kreeg in 1459 het ius monendi; van hem weten we slechts dat hij priester was6. Heer Rombout Zavelberch verschijnt in 1470 ten tonele; vier jaar later, bij de schenking van een erfcijns door de priester Lubbert van Sprakelaar, heet hij procurator van de kartuizers7. Rombout was kapelaan in de St. Janskerk, rond 1490 oefende hij de functie uit van procurator van het kapittel. Hij wordt rector van het St. Andriesaltaar in de St. Jan genoemd tussen 1483 en 1487, bovendien komt hij voor als bedienaar van de bij de Gevangenpoort gelegen St. Annakapel8. In 1482 en 1485 werd Rombout wederom met het recht van maning bekleed, maar de vorm is nu gewijzigd. Samen met hem kregen nu ook anderen die macht toebedeeld, waaronder een zekere Willem van Dommelen9. Ook in 1492 werd deze Willem van Dommelen samen met Rombout Zavelberch en een convers van het klooster Klaas van de Velde gemachtigd ten behoeve van het klooster. Twee jaar later trad hij daadwerkelijk voor het Hollandse Huis op en exact drie jaar nadien maande hij opnieuw alle cijns- en pachtplichtigen van het Hollandse Huis. Hij komt dan voor als rector van de kapel van St. Anna en blijkt dus ook in die zin in de voetsporen van Rombout van Zavelberch te zijn getreden10.
- 1. [6]De rekening van de prior over 1439 vermeldt inderdaad deze uitgave, zodat de eerste vijf jaar de kloosterlingen geen vruchten van dit legaat plukten (RANB, HH, inv. nr. 2, tweede deel fol. 38). Jordaan werd later door beide kloosters gemachtigd deze cijns ten behoeve van hen te innen (GADB, RA, 1211 fol. 188v).
- 2. [7]Katherina had haar huis aan drie geestelijke instellingen, waaronder de kartuizers, vermaakt. Bij verkoop zouden die de abdis van het klooster Binderen bij Helmond 100 peters moeten betalen. Toch gingen de kartuizers in 1443 tot de verkoop van hun deel over (GADB, RA, 1211 fol. 188v en inv. nr. 1213 fol. 317v).
- 3. [8]RANB, HH, 2, tweede deel fol. 24, mededeling uit een rekening van de procurator en uit een in 1516 in het kader van een belastingmaatregel van Karel V opgemaakt register.
- 4. [9]GADB, RA, 1183 fol. 75.
- 5. [10]GADB, RA, 1212 fol. 249v, inv. nr. 1215 fol. 261 ven inv. nr. 1220 fol. 135. De drie-jaarlijkse termijn van machtigen en manen, die later nog geregeld terugkomt, houdt wellicht verband met de bepaling dat de achterstallige cijnzen binnen drie jaar opgeëist moesten worden (M. Spierings, Het schepenprotocol van 's-Hertogenbosch 1367-1400 (Tilburg, 1984) 219). Deze drie-jaarlijkse periode troffen we ook aan bij de machtigingen die de prior van de Bossche Wilhelmieten aan zijn keldermeesters verleende.
- 6. [11]GADB, RA, 1229 fol. 71. Hij schijnt slechts een keer in het Bossche schepenprotocol voor te komen, een aanzienlijk geestelijke zal hij derhalve niet geweest zijn.
- 7. [12]GADB, RA, 1239 fol. 276-276v en 1244 fol. 121 v.
- 8. [13]GADB, RA, 1259 fol. 2, inv. nr. 1227 fol. 205, inv. nr. 1252 fol. 94v en inv. nr. 1263 fol. 167v en fol. 292.
- 9. [14]Op 4 mei 1482 werden gemachtigd naast Rombout Zavelberch: meester Godfried van de Velde, Peter Back, Jacob Wolfart en Sander Pieck van Batenborch, allen op een of andere wijze verbonden aan het Bossche kapittel (GADB, RA, fol. 591v). Op 6 juni 1485 werd Rombout geflankeerd door een zekere Zyvatus van Alkmaar, kloosterling van de kartuizers bij 's- Hertogenbosch, Klaas van de Velde, convers van het Hollandse Huis zelf, Godfried van de Velde, die hier als kanunnik van de St. Jan te boek gesteld is, Jacob van den Einde en de priester Willem van Dommelen (GADB, RA, 1254 fol. 84).
- 10. [15]GADB, RA, 1261 Iol. 57v, inv. nr. 1263 fol. 13v en inv. nr. 1265 fol. 314.