Kartuizers bij Geertruidenberg en bij 's-Hertogenbosch

Uit Stamboomboek Raamsdonk
Versie door Colani (overleg | bijdragen) op 28 mrt 2022 om 11:20 (Nieuwe pagina aangemaakt met ' = De Moderne Devotie als schakel tussen de kartuizers bij Geertruidenberg en bij 's-Hertogenbosch = '''1. Inleiding''' In 1336 was Willem van Duvenvoorde, machti...')
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De Moderne Devotie als schakel tussen de kartuizers bij Geertruidenberg en bij 's-Hertogenbosch[bewerken]

1. Inleiding

In 1336 was Willem van Duvenvoorde, machtig financier, vertrouweling van de graaf van Holland en invloedrijk persoon in de Brabantse hofkringen, overgegaan tot de stichting van een kartuizer klooster bij Geertruidenberg. De sterk contemplatieve orde van St. Bruno van Keulen kende de eraan voorafgaande decennia een explosieve groei in de Zuidelijke Nederlanden en zijn eerste vestiging in het graafschap Holland — vandaar de naam Hollandse Huis — betekende een nieuwe stap in noordelijke richting. Willem van Duvenvoorde had in Holland en Brabant vele gebieden zowel in leen als in eigendom. Ten tijde van de stichting van het klooster was hij heer van Breda, heer van Oosterhout en burggraaf van Geertruidenberg. Zijn uitgestrekte domein, dat later via de Polanens aan het huis Nassau vererfde, ligt aan de basis van het Kroondomein in westelijk Noord-Brabant1.

De kartuizers poogden via een omvangrijk gebied en renten, cijnzen en pachten hun financiële behoeften te bevredigen. Als beschouwende orde was hun streven erop gericht met zo min mogelijk eigen inspanning hun bezittingen te exploiteren. Eigen bebouwing, ontginning en dergelijke werden zoveel mogelijk vermeden, de niet te vermijden lichamelijke arbeid werd uitgevoerd door de conversen, zodat de monniken in stictu sensu van iedere afleiding van hun geestelijke werken gevrijwaard bleven. Afgezien van uitzonderingen voor prior en procurator bleven de monachi binnen de kloostermuren of binnen de afgebakende termini monachorum, waarin ze zich overgaven aan hun wekelijkse gezamenlijke wandeling (spaciamentum).

Naast deze beperking van de bewegingsvrijheid van de monniken, waarborg voor hun leven als in een woestijn, had de orde via regulering van de bezitswerving geprobeerd de inclausura zo volledig mogelijk te doen zijn. De kloosters mochten slechts in een beperkte straal rondom hun behuizing bezittingen verwerven. Toch was deze maatregel niet overal in de praktijk uitvoerbaar, het bleek niet altijd mogelijk goederen binnen de aangewezen grenzen in bezit te krijgen. Giften van weldoeners betroffen meestal verder weg gelegen goederen en rechten. Daarbij moet nog rekening gehouden worden met de specifieke behuizing van de kartuizers, die een groot domein noodzakelijk maakte. In feite bestond het convent uit kluizenaars, die weliswaar enkele zaken gemeenschappelijk geregeld hadden maar binnen het klooster toch solitair leefden. Iedere monnik beschikte over een afzonderlijke wooneenheid, waar hij de meeste getijden alleen bad en alle maaltijden, behalve op zon- en feestdagen, in eenzaamheid nuttigde. De eisen die aan een dergelijke behuizing gesteld werden, waren hoog, zodat het arbeidsloze inkomen van het klooster dienovereenkomstig moest zijn. Hoewel de stichter van het Hollandse Huis niet bepaald onbemiddeld was en de stichting een gebaar van vorstelijke allure genoemd kan worden, verwierf de kartuize zich bezittingen buiten de grenzen.

Zo blijkt in de vijftiende eeuw een relatie tussen het Hollandse Huis en 's-Hertogenbosch te bestaan, des te opvallender gezien de afstand tussen beide plaatsen en het op het eerste gezicht ontbreken van iedere grond ervoor. Gedurende ruim een halve eeuw bleek het klooster een ruime bekendheid in de hertogstad te genieten. Deze constatering was prikkelend genoeg om op zoek te gaan naar vorm, oorzaak en gevolg van deze populariteit in den vreemde.

De contacten van de kartuizers met de Meierij van 's-Hertogenbosch liepen via vier kanalen. In de eerste plaats woonden er lieden die na hun dood een deel van hun nalatenschap voor deze kloosterlingen hadden bestemd. Daarna moest beheer plaatsvinden, hetgeen geschiedde middels machtiging aan ingezetenen van de stad. Bovendien hadden de erflaters vaak naast de kartuizers ook nog andere kloosters begiftigd. Ten slotte moeten we kanunnik Martinus van Zomeren voor het voetlicht halen, omdat hij als een spin in dit web verscholen blijkt.


2. De begunstigers

Een analyse van de schenkingen die de kartuizers vanuit de Meierij ten deel vielen2, leert ons dat van de 21 schenkingen er slechts zeven exact te dateren zijn (zie bijlage)3. Deze giften zijn alle tot stand gekomen tussen 1433 en 1458, waarbij aangetekend moet worden dat vijf schenkingen tussen 1433 en 1441 plaatsvonden en de overige twee in 1457 en 1458. De vroegste schenking dateert al van voor 1413, terwijl de laatst mogelijke schenking voor 1477 plaatsgevonden moet hebben. In de ante-quem-dateringen ligt de nadruk op de jaren veertig. Het goederenregister van het klooster uit 1421 schijnt geen vermelding van Meierijse goederen gemaakt te hebben4, in het rond het midden van de vijftiende eeuw gereed gekomen cartularium was echter al een aparte plaats ervoor vrijgehouden. Een en ander leidt tot de conclusie dat de schenkingsdrift in de Meierij ten behoeve van het Hollandse Huis in het begin van de vijftiende eeuw aanving, een hoogtepunt bereikte in de jaren dertig en veertig en daarna in ieder geval tot in de jaren vijftig uitliep. Na 1477 ontdekten we geen schenkingen meer vanuit de Meierij.

De identiteit van de schenkers is zoals zo vaak in deze periode moeilijk te achterhalen, hoewel juist de financieel meest draagkrachtigen de breedste sporen plegen na te laten. Van de achttien met name bekende weldoeners, kennen we van de helft geen nadere bijzonderheden. Onder de overigen bevinden zich twee geestelijken, Lubbert van Sprakelaar, priester, en Jan Osman, notaris en kanunnik van het Bossche kapittel; en twee begijnen, Hadewig Weylen van Os en Lijsbet van Boert, dochter van Hendrik Boirtman van Vechel en begijn van het Groot Begijnhof in de stad. Behalve deze vier zijn nog vier personen als inwoner van de stad aan te wijzen. Dat we daarbij juist namen uit de aanzienlijke Bossche families tegenkomen, wekt geen verbazing: Van Hoculem, Van Vladeracken, Van Erpe duiken ook hier op5. Wat meer opvalt is dat vrouwelijke schenkers in aantal de overhand blijken te hebben op de mannelijke, des te vreemder omdat de kartuizerorde toch in hoofdzaak uit mannen bestond, ook al had ze een vrouwelijke pendant. Bovendien blijken in andere regio's en perioden de schenkers juist uit mannen te bestaan.